veersecourant.nl

Dit zijn gedichten van Joh. Den Herder uit Serooskerke (W).
Hij was in de oorlogsjaren dwangarbeider in Duitsland (Oberndorf (Neckar)).
De gedichten uit die tijd verdienen een nieuw leven op internet.

De ten doode gedoemden!

De rug is naakt, waarop de zon zich brandt,
De schop is zwaar, in saamgekropen hand,
De dag duurt lang, in bitt’ren dwangarbeid,
De nacht is bang, in koortsen die men lijdt.

Het oog ligt diep, verzonken in ’t gelaat,
Het flikkert nog, als ruw de drijver slaat,
Het staart wat rond, een blik vol klacht,
Het schittert fel, lijk een waanzinnige lacht.

Zijn vleesch is dor, wat vellen en wat knoken,
Zijn rug is krom, door d’arbeid half gebroken,
Zijn hoofd is kaal, vervuild en grauw,
Zijn vel verruwd, door hitte en door kou.

Je geest is dood, de kracht eruit geslagen,
Verlamd van pijn, versuft van ’t klagen,
Je droomt nog wat, van vóór uw lijdenstijd,
Je hoopt niet meer, dat je eens nog wordt bevrijd.

Een mensch niet meer, een uitgedoofde lamp,
Een nummer, in het Duitse martelkamp,
Een levend lijk, dat zich ten grave sleept,
Eén brokje leed, door de geesel opgezweept.

Toch is er Eén, die uwe klachten hoort,
Toch ziet een God, elke striemslag van het koord,
Toch komt de dag, dat God als Rechter staat,
En wreekt dit kwaad, met de volheid van Zijn maat.

© 1944  Joh. Den Herder
Oberndorf (Neckar)


Aan Moeder

Moeder, ik weet, je kan weer niet slapen,
Je gedachten zijn weer bij uw liefdevol pand,
Die ver weg, van je moederlijke zorgen,
Hier ergens vertoeft, in het wildvreemde land.

Je denken gaat heen, over bergen en dalen.
Om bij mij te vertoeven, bij dag en bij nacht.
Ik weet, gij zijt het, die met innig verlangen;
En groote liefde mij nimmer verwacht.

Ook als de vliegers, in durende vluchten
De luchten vervullen met dreigend gebrom,
Dan weet ik, klinkt zuchtend uw bede;
‘Spaar, Heere, mijn kind voor de moordende bom’.

Ook is het bij mij, als de slaap niet wil komen,
Dan komt voor mijn geest het gezellige thuis.
En als ik dan sluimer, is beeld mijner droomen
Immer toch weer,  ~ het ouderlijk huis.

Maar moeder, wat er ook moge gebeuren
In leven of dood, blijf ik immer uw kind.
Die u het meest in den storm der tijden,
Met alle vezels der ziel heeft bemind.

Zoo smacht ik naar u, zoo denkt gij aan mij,
Dit troost mij veel in moeilijke tijden,
Ja, ik kan nu weer voort, ‘k ben vroolijk en blij,
Want ik weet, we zijn niet voor eeuwig gescheiden.

Dus moeke, slaap voort en droog uwe tranen,
Ik ben als een lam, dat naar moederschaap dorst.
En heb geene rust, tot ik eindelijk tevreden,
Van vermoeienis zijg aan uw teedere borst.

© 1943 Joh. den Herder
Oberndorf A. Neckar


Draaiersrijmpje

Draaier, draaier, gansche dagen
Draai jij aan je draaiersbank.
Onder ’t draaien heel geen klagen,
Ondanks alle draaiersstank.
Draai ze fraai, draai ze fraai!
Al die draaiers om te draaien
Is voor jou ’n handomdraai.
Maar ….de dagen draaien langzaam
En de uren draaien traag.
En je loon op al dat draaien
Is wat draaierig in je maag

© 1943            Joh. De Herder
Oberndorf (Neckar)

 

 


Kerstgang 1944

Wakende herders in nachtelijke stonden.
Blinkende engelen met wondere zang,
Zoekende wijzen, die het kindeke vonden
Lovende stemmen, vol heilige drang.
Alles is zalig, wat men ontwaard,
Het eind van de nacht en vrede op aard.

Berstende bommen, granaten die huilen.
Kreten van velen der stervende gil.
Velden doorploegt met moordende kuilen.
Sirenes die loeien, beangstigend schril.
Alles ellende, wat men ontwaard
De nacht van de dood, regeert op de aard.

Granaten die huilen in nachtelijke stonden
Over stemmen toch niet de engelen stem
Doorploegde velden in wijde ronden
Beletten geen gang naar Bethlehem.
En knielen we neer bij het hemelse Kind
Daalt vrede in het hart, het is God die ons mint.

©  1944             Joh. Den Herder
Oberndorf am Neckar.